Hulpfonds De Zeemanspot

Hulp aan families van zeevarenden in bezet Nederland

De bemanningen van de koopvaardijschepen die op 10 mei 1940 buitengaats waren, of van schepen die op het laatst uit het land wisten te ontsnappen, bleven buiten de bezetting. Zij bleven echter niet buiten de wereldomvattende oorlogshandelingen op zee.
Op 10 mei 1940, om 05.30 uur, ontvingen de Nederlandse schepen die op zee waren een gecodeerd telegram met daarin de mededeling dat de Duitsers Nederland waren binnengevallen en de opdracht zo snel mogelijk een veilige haven op te zoeken.
Van de een op de andere dag veranderde status van de zeelieden van burger tot ‘frontsoldaat’, nadat de regering in Londen daartoe een wet toepasselijk verklaarde en de vaarplicht instelde. Ook trad de Zeeschepenvorderingswet in werking, waardoor onze koopvaardijvloot beschikbaar werd voor de geallieerde strijd tegen de AS-mogendheden (Duitsland, Italië en Japan).
De meeste bemanningsleden waren kostwinner voor de achtergebleven vrouwen en kinderen. De rederijen verzorgden de betaling van de gages door middel van zogenaamde week- en maandbrieven.
Deze betalingen kwamen al spoedig na de bezetting van het land in gevaar omdat de bezetter de opvarenden van de koopvaardijschepen (circa 18.000) trachtte te onttrekken aan de dienst van de Nederlandse regering in Londen en derhalve ook van de geallieerden.
Door de uitbetalingen van de gages aan de families te traineren, te laten verminderen of te stoppen, hoopten de Duitsers dat bemanningsleden in neutrale havens zouden afstappen en terugkeren naar Nederland. Dat gebeurde echter niet. Bovendien bleven de meeste rederijen de week- en maandbrieven uitbetalen.
In september 1941 werd aan de rederijen verboden, om meer uit te betalen dan de normen van Maatschappelijk Hulpbetoon. En dat was niet veel.
In november 1941 werd, los van elkaar, een drietal initiatieven genomen om gezinnen van op zee verblijvende zeevarenden te ondersteunen. Gezinnen van zowel koopvaardij-, visserij-, als marinepersoneel.

In Rotterdam gebeurde dat onder andere door de heer Abraham Filippo, gezagvoerder bij de Holland Amerika Lijn. De initiatiefnemers noemden hun project ‘De Zeemanspot’.
In Amsterdam was een tweede groep aan het werk. Deze was vanuit Eindhoven opgericht door een procuratiehouder van Philips, de oud-marineofficier Iman J. van den Bosch.

In Amsterdam zette zich nog een groep in voor de goede zaak. Die werd vanuit een bankiers- en effectenkantoor in Zaandam geleid door de heer Walraven van Hall. Deze kwam uit een bankiersfamilie en was stuurman geweest bij de Koninklijke Hollandsche Lloyd. Na het behalen van het diploma Tweede Stuurman Grote Handelsvaart werd hij echter voor zijn ogen afgekeurd.