Walraven van Hall

Alhoewel minister Steenberghe via Radio Oranje op 17 april 1941 had toegezegd dat de Nederlandse regering garant zou staan voor leningen ten behoeve van financiële steun aan de families van zeevarenden, leek het moeilijk een praktische implementatie te vinden en dus werd het systeem van de Zeemanspot aanvankelijk gebaseerd op donaties.

Russische spoorweg-obligatie uit de TsarentijdIn januari 1942 vroeg kapitein Filippo aan de bankier Walraven van Hall (met de schuilnamen Van Meerveldt of Van Tuyl) om een ‘Zeelieden Fonds’ op te zetten in Amsterdam. Van Hall bedacht dat men van de garantie van Londen gebruik kon maken als men een administratie bij kon houden van de verstrekte leningen. Deze administratie werd gebaseerd op waardeloze waardepapieren zoals verlopen aandelen of zilverbonnen.

Walraven van Hall richtte zich voornamelijk op de contacten tussen de Zeemanspot en de illegaliteit terwijl zijn broer Gijs van Hall zorg droeg voor de administratie.

In februari 1942 werden de bedragen van de uitkeringen aan de familieleden van opvarenden door de Duitsers nogmaals verlaagd tot het absolute minimum. Er stapte echter geen bemanningslid van de schepen af. In diezelfde maand schaarden de drie groepen zich onder één noemer en naam, die van ‘De Zeemanspot’, de Rotterdamse naam.

Een flinke bijdrage aan de Zeemanspot werd gegenereerd door de bezetter zelf, toen die op 13 maart 1943 alle bankbiljetten van 1000 gulden ongeldig verklaarde. De gebroeders Van Hall en Filippo zagen hun kans schoon om instellingen en individuen te helpen met het omwisselen van hun ongeldige bankbiljetten en voorzagen op die manier de Zeemanspot van extra inkomsten. In Amsterdam ging het kassaldo omhoog van 212.000 naar 785.000 gulden, terwijl in Rotterdam een reserve van 1 miljoen werd aangelegd.

Door deze opmerkelijke schaalvergroting ontstond de mogelijkheid om de financiële steun sterk uit te breiden naar andere groepen, zoals personen die getroffen waren door de Februaristaking, onderduikers, illegale pers, spionage, etc. Hier scheidden de wegen tussen Filippo en de Van Halls en Van den Bosch. Filippo wilde gericht blijven op de originele doelgroep van de Zeemanspot terwijl de anderen de mogelijkheid wilden benutten om op een veel grotere schaal de illegaliteit en het verzet te ondersteunen. Aldus werd het zogenaamde ‘Landrottenfonds’ opgericht dat later de naam Nationaal Steun Fonds kreeg en onder leiding stond van Iman Jacob van den Bosch en Walraven van Hall.

De grootste bankfraude ooit*

Vervalste SchatkistpromesseVanaf 1944 was het NSF sterk gegroeid. De organisatie hield zich vanaf dat moment niet alleen meer bezig met het uitkeren van geld aan (familieleden van) onderduikers en zeelieden, maar ondersteunde ook verzetsgroepen zoals de illegale pers, spionage- en sabotagegroepen en talrijke andere illegale groepen. De tot dan gebruikte financieringsconstructie van het NSF voldeed niet meer vanaf september 1944. Er moest dus gezocht worden naar andere mogelijkheden.
Walraven en Gijs van Hall benaderden weer acht banken met de vraag of zij hen konden helpen. Uiteindelijk ontstond het volgende plan.
De banken deden alsof zij hun kasreserve wilden verhogen en vroegen per maand ƒ 500.000 aan de Nederlandsche Bank. Zij voerden hiervoor verschillende beweegredenen aan. De directie van de Twentsche Bank opperde bijvoorbeeld dat er een bom kon vallen op de Nederlandsche Bank en dat daardoor de kluis geblokkeerd zou worden. Daarom was het veiliger als de Twentsche Bank zelf een grote kasreserve zou hebben. Dit geld ging echter, in ruil voor ongeldige effecten, rechtstreeks naar het NSF.

Deze bankregeling leverde het NSF acht miljoen gulden op. Maar na twee maanden vonden de Duitsers en de NSB-directeur van de Nederlandsche Bank (Rost van Tonningen) het wel heel apart dat in een gebied waar de economie bijna niet meer draaide, de banken hun kasreserve maar bleven verhogen. Daarom weigerde de Nederlandsche Bank nog langer mee te werken aan het verhogen van de reserves.
Het NSF had echter geld nodig. Alleen voor de spoorwegstakers was al meer dan 5 miljoen per maand nodig. Gijs van Hall kwam met de oplossing. Hij herinnerde zich een grootschalige bankfraude uit de jaren ‘30, waarbij de Zweed Ivar Kreuger door middel van vervalste schatkistpromessen (kortlopende staatsleningen) miljoenen dollars had buitgemaakt. „Waarom zou dit ook niet in Nederland kunnen?” dacht hij.

foto Gijs van Hallfoto Walraven van HallDe Van Halls waren zich er echter van bewust dat zij geen valse schatkistpromessen op de markt konden brengen. Het risico op ontdekking was te groot en als de waardepapieren na de oorlog in omloop zouden blijven, zou dit zeer schadelijk voor de Nederlandse economie zijn.
De Nederlandsche Bank had talloze schatkistpromessen in haar kluis liggen. Walraven en Gijs besloten om de echte papieren te verwisselen voor valse exemplaren. De echte promessen konden dan worden omgezet voor contant geld. Het vervalsen van de promessen was echter een zeer moeilijke zaak. Het papier waarop zij werden gedrukt, bevatte haartjes in verschillende kleuren en was niet vrij verkrijgbaar.
De Persoonsbewijzencentrale slaagde er met hulp van bevriende drukkerijen en door het werk van de vervalser Ab Oeldrich toch in om goedgelijkende imitaties te vervaardigen.

Gijs van Hall wist de medewerking te verkrijgen van de kassier-generaal van de Nederlandsche Bank, Cornelis Ritter. Ritter ging persoonlijk vijftien keer naar de kluis om de echte promessen om te ruilen voor vervalste exemplaren. Deze promessen werden vervolgens weer omgeruild voor schatkistpapieren van de Kas-Vereniging (een Amsterdamse bank). De promessen van deze bank waren vrij verhandelbaar. Dit gold niet voor de waardepapieren van de Nederlandsche Bank.

De laatste stap was het omwisselen van de schatkistbiljetten voor contant geld. Ook dit kon niet zo maar. Vanaf 5 september 1944 gold de maatregel dat een persoon of organisatie niet meer dan ƒ 100 per week mocht opnemen van een bankrekening. Alleen bij het uitkeren van salarissen en dergelijke mocht van deze regel worden afgeweken. Ook hiervoor werd een oplossing gevonden. Walraven en Gijs van Hall kenden Frans den Hollander (de oud-directeur van de Zaandamse Artillerie Inrichtingen). Deze gaf nu leiding aan een fonds dat zich bezighield met het uitkeren van wachtgeld aan personeel van fabrieken die door de oorlog niet meer konden draaien. Door zijn hulp was het mogelijk een constructie te maken, waardoor het NSF de promessen kon inwisselen bij een aantal banken. Het leek alsof het geld bedoeld was voor het uitkeren van wachtgeld. Maar in werkelijkheid kwam het geld ten goede van het Nationaal Steunfonds.
Deze grootste bankfraude uit de Nederlandse geschiedenis leverde het NSF 51 miljoen gulden op. Dit was ruim voldoende om de rest van de oorlog door te gaan met het ondersteunen van individuen en organisaties.

Door verraad werden Van den Bosch en Walraven van Hall gearresteerd en ter dood gebracht. Van den Bosch op 28 oktober 1944 in Westerbork. Walraven van Hall werd op 12 februari 1945 in Haarlem-Noord voor het vuurpeloton geplaatst en doodgeschoten.

Bij het einde van de oorlog kwam aan het werk van Filippo, die alleen was doorgegaan met ‘De Zeemanspot’, een einde terwijl Van den Bosch en Van Hall het Verzet in de volle breedte van gelden hadden voorzien.

Na de oorlog

Na het einde van de oorlog vormde een groep medewerkers van de ‘De Zeemanspot’ een Stichting met dezelfde naam. Een en ander met het doel vakanties te organiseren voor zeelieden die tijdens de oorlog invalide waren geworden en voor nabestaanden van circa 3.000 gesneuvelde zeevarenden.
Hiervoor werd het landgoed ‘De Witte Hull’ in Zeist aangekocht. Toen eind 1964 bleek, dat de Stichting ‘De Zeemanspot’ feitelijk haar taak had volbracht, werd deze geliquideerd, waarbij het batig saldo gelijkelijk werd verdeeld over de beide Hollandse reddingmaatschappijen.
Voor de Zuid-Hollandse Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen met bepaling dat de gelden dienden te worden aangewend voor de bouw van een reddingboot, die ‘De Zeemanspot’ zou worden gedoopt, opdat die naam zou blijven voortbestaan.

De Zeemanspot heeft voor ongeveer 4.700 gezinnen van koopvaarders gezorgd, 1.400 van marine personeel en 300 gezinnen van leden van de landmacht met een totaal budget van ƒ 5.200.000. Los daarvan werden de gezinnen ook materieel geholpen.

Bronnen

De Nederlandse Koopvaardij in Oorlogstijd - Boom / Stichting DdM 2014. A. van Dissel, M. Elands, Hylke Faber en Pieter Stolk.
Walraven van Hall, Premier van het Verzet – Uitgeverij Noord-Holland 2014. Erik Schaap.
Verzetsmuseum Amsterdam
*GO2WAR2
Wikipedia

Website over van Hall, bankier van het verzet

www.walravenvanhall.nl